Aurich-Engerhafe

Er is een nauwkeurige beschrijving van de tankgracht ten noorden van Aurich. Het had een lengte van 12 km, van Wallinghausen tot achter de kanaalsluizen in Wiesens.
Het werd aangelegd door gevangenen van concentratiekamp Engerhafe, ongeveer 600 Duitse militairen en door jonge dienstplichtigen.

Op 28 augustus 1944 gaf Hilter het bevel tot aanleg van deze zgn. Friesenwall . Het strekte zich uit van de provincies Friesland, Groningen tot het oosten van Frisia. Dit alles ter bescherming van de volledige Noordzeekust tegen een gevreesde geallieerde invasie.
De barrière bestond uit twee delen, een direct in de dijken aan de kust. Daarachter werd de tweede lijn aangelegd met kanonplatforms en bunkers en met een systeem van tankgrachten. Heden ten dage zijn de tankgrachten die rond Aurich werden aangelegd slechts op enkele plaatsen zichtbaar. Dit is onder andere het geval in Heikebusch en in het Vinkburgerbos.
De tankgrachten waren ongeveer 4 a 5 meter breed, 3 m diep en hadden steile kanten. Militair-technisch waren zij nutteloos, omdat de invasie in het zuiden plaatsvond en omdat de tankgrachten een invasie uit het noorden ook niet zou hebben kunnen tegengehouden.

De gevangenen in Engerhafe waren gevangenen uit concentratiekamp Neuengamme. Dit concentratiekamp was sinds 1938 in gebruik en lag ten zuidoosten van Hamburg.  Het beschikte over zestig kleinere kampementen in de omgeving. Hier verbleven onder anderen r 600 mannelijke inwoners uit de Nederlandse plaats Putten  Zij waren bij een strafexpeditie hier naartoe gedeporteerd.
Half oktober 1944 werden hier vandaan de eerste 400 gevangenen overgeplaatst naar Engerhafe. In deze plaats was reeds een kamp aanwezig, dat werd gebruikt door 400 Nederlanders die met de bouw van bunkers in Emden moesten helpen. Het kamp had de beschikking over een kerk, een diaconie en een school.
De gevangenen moesten eerst de omheiningen aanleggen: prikkeldraad, wachttorens enz. Zij sloten zichzelf a.h.w. op. Daarna werden twee barrakken gebouwd die als camouflage werden voorzien van steile daken, zodat zij uit de lucht op echte  landbouwschuren leken. Uiteindelijk werden hier 2000 tot 2200 gevangenen ondergebracht. Elke barrak beschikte over 40 slaapplaatsen, die elk door twee personen werden gebruikt.

Alle getuigenverklaringen betreffende de kamporganisatie, de arbeidsomstandigheden en de behandeling van de gevangenen waren tegenstrijdig - zowel van vroegere gevangenen als van Duitse getuigen. Over een ding waren ze het wel eens: de arbeidsomstandigheden waren buitengewoon zwaar. Het regende dat jaar onafgebroken de gehele herfst. De grondwerkers hadden nauwelijks de beschikking over het juiste gereedschap. In de maanden tot december 1944 vonden in Engerhafe 188 mannen de dood vnl. door ziektes, slechte voeding en slechte arbeidsomstandigheden. Daarnaast door mishandelingen van de bewakers. Deze aantallen waren gebaseerd op aantallen die in kerkelijke archieven gevonden werden. Sommige spraken zelfs van 3000 doden, maar de archieven spraken dat aantal tegen.

Engerhafe was in elk geval één van de ergste concentratiekampen in Duitsland. Arbeiders die tijdens het werk het leven lieten, moesten door collega’s over de schouder worden teruggesleept naar het kamp. Na aanhoudende protesten werd hiervoor later door de kampleiding een auto ter beschikking gesteld.
De ziekenbarak werd dodenbarak genoemd. Dagelijks waren daar 10 doden te betreuren. Zij werden op de aangrenzende begraafplaats eerst in eenpersoons graven begraven, maar door het hoge aantal kwam daar snel een massagraf voor in de plaats. In 1952 werden alle stoffelijke overschotten weer opgegraven en door de nauwkeurige beschrijving in de kerkarchieven konden bijna alle slachtoffers geïdentificeerd worden.

De kampleider was een SS’er uit Tsjecho-Slowakije, die na de oorlog tijdens het strafproces in Aurich niet vervolgd werd. Hij bleek niet op zijn taak te zijn berekend.

Het kamp in Engerhafe werd in december 1944 ontmanteld. De laatste begrafenis vond plaats op  22 december 1944. Op 28 december 1944 was de aanleg van de tankgracht klaar.

Enkele maanden later, na de capitulatie, moesten Duitse geïnterneerde soldaten de tankgrachten weer opvullen, waardoor er nu nauwelijks nog een stuk van te zien is. De barakken  werden  in de zomer van 1945 door dorpelingen onmiddellijk geplunderd.
Foto's van het kamp zijn er niet.