| Achternaam | Bronk | ||
| Voornamen | Marinus Gijsbertus | Voorletters | M.G. |
| Rang | Sld.Art. | ||
| Mil. onderdeel | KNIL. | ||
| Geboorteplaats | Culemborg | Geboortedatum | 04-06-1908 |
| Overlijdensplaats | Brangkasi, Thailand | Overlijdensdatum | 25-04-1943 |
| Begraafplaats Kanchanaburi War Cemetery | |||
| Gemeente | Kanchanaburi | ||
| Land | Thailand | ||
| Vak | 7 | ||
| Rij | F | ||
| Nummer | 12 | ||
Algemene gegevens afkomstig van www.ogs.nl
Gijsbert Bronk, de vader van Marinus, was getrouwd met
Cornelia Simon uit Dordrecht. Ze kregen negen kinderen: Catharina, Cornelia,
Johanna, Cornelis, Maria, Johannes, Gijsbertus, Marinus en Stijntje. Zijn zus
Maria overleed op 6-jarige leeftijd in 1907 en zijn broer Johannes overleed op 18-jarige leeftijd in 1922 en zijn
moeder tenslotte in 1925.
De 1.80 cm lange Gijsbert woonde tot zijn twintigste levensjaar op Molenwal 46 in
Culemborg. In maart 1928 verbond Marinus zich voor drie jaar als kanonnier 2e klas voor
overzeese militaire dienst bij het KNIL. De premie daarvoor bedroeg in die tijd
200 gulden. Op 28 augustus 1928 vertrok hij met de s.s. Prins der Nederlanden
richting Nederlands-Indië. In 1931 en 1937 werd zijn dienstverband met telkens
zes jaar verlengd.
Op 19 mei 1937 trad hij in Salatiga in het huwelijk met de 41-jarige
Johanna Antoinette Rombach. Zij was gescheiden van Adriaan O. Rijken Rapp
en had uit dat huwelijk vijf kinderen: Ferdinand (overleden
aan de Birma Spoorweg op 2-12-1943), Clara, Viktor, Louise en Adriaan.
Dit laatste huwelijk bleef kinderloos.
Toen in december 1941 ook in Nederlands-Indië de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd Marinus begin 1942 door de Japanners geïnterneerd en enkele maanden later overgebracht naar Birma, waar hij met veel landgenoten aan de beruchte Birmaspoorweg moest werken. Hier is hij op 34-jarige leeftijd, vermoedelijk door uitputting of ziekte, om het leven is gekomen.
Op 18 februari 1947 te Salatiga, midden-Java, overleed ook Johanna Rombach. De familie Rijken Rapp is daarna naar Nederland verhuisd.
De Birma-spoorweg is de spoorweg tussen het
toenmalige Birma (nu Myanmar) en Thailand. Deze verbinding werd in opdracht van
de Japanse overheersers aangelegd door duizenden dwangarbeiders en
krijgsgevangenen. Velen hebben dit niet overleefd. Met recht noemt men de
spoorlijn ook wel de 'Dodenspoorweg'.
De spoorweg was gereed in december 1943. Vanaf dat moment bestonden de
werkzaamheden uit onderhoud en het repareren van de schade die door geallieerde
bommenwerpers werd toegebracht. Omdat de
werkkampen vaak ingericht waren naast vitale punten van de spoorweg, vielen
tijdens een bombardement vaak ook veel slachtoffers en gewonden onder de
dwangarbeiders. De Japanse leiding gaf echter geen toestemming de kampen te
markeren.
In totaal heeft de spoorweg het leven van 80.000 tot 100.000 mensen gekost.
Tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 75 arbeiders. 15.000
krijgsgevangenen stierven aan de gevolgen van uitputting, ziekte en
ondervoeding. Onder hen 7.000 Britten, 4.500 Australiërs, 131 Amerikanen en
bijna 3.000 Nederlanders. Ook vele Thaise, Birmaanse, Maleisische en
Indonesische dwangarbeiders hebben de verschrikkelijke omstandigheden niet
overleefd. Aanvankelijk werden de doden langs de spoorweg begraven. Later zijn
zij (her)begraven: In Thailand en Myanmar (het vroegere Birma) liggen de
slachtoffers van de Birmaspoorweg begraven op een drietal erevelden, te weten in
Thailand het ereveld Kanchanaburi (1896 Nederlandse oorlogsgraven) en het
ereveld Chunkai (313 Nederlandse oorlogsgraven) en in Myanmar het ereveld
Thanbyuzayat (621 Nederlandse oorlogsgraven).