Leesdossier Klas 1: Kies per boek 3 opdrachten. Je mag elke opdracht maar één keer kiezen.
1 Maak een krantenbericht bij een belangrijke gebeurtenis in het verhaal. Zorg ervoor dat het er uit ziet als een krantenbericht (dus kolommen, titel, plaatsnaam, schrijver, tussenkopjes, eerste alinea dikgedrukt)
2 Laat twee hoofdpersonen met elkaar corresponderen. Schrijf minimaal drie brieven van elk minimaal 75 woorden.
3 Herschrijf de laatste twee bladzijden van het boek, waarbij het slot een hele andere, verrassende wending krijgt. .
4 Zoek een in een tijdschrift een artikel over een bekend persoon en schrijf een artikel met precies dezelfde opbouw en stijl, maar dan over de hoofdpersoon van je boek (minimaal 150 woorden).
5 Maak van een stuk van het boek een filmscript. Teken minstens acht shots en geef aanwijzingen voor de cameraman en de acteurs/actrices. Welke acteurs/actrices zou je kiezen?
6 Maak tekeningen van minstens vijf personen uit het boek en leg uit hoe je weet of waarom je denkt dat die personen er zó uit zien. Noteer de bladzijden of hoofdstukken waarin je dat gelezen hebt. Kies geen personen waarvan al een tekening op de kaft of in het boek staat.
7 Maak een collage van het verhaal. Zoek minimaal tien plaatjes / foto's die precies bij het verhaal passen. Plak deze in je leesdossier en leg in minimaal 25 woorden per plaatje uit waarom je ze bij het verhaal vindt passen.
8 Zoek tien uitdrukkingen en/of spreekwoorden die van toepassing zijn op het boek. Leg per uitdrukking in minimaal 25 woorden uit waarom je die gekozen hebt.
9 Zoek in krant / tijdschrift / op internet een artikel over een onderwerp waarover ook in je leesboek wordt geschreven. Beschrijf in minimaal 100 woorden het verschil tussen de manier waarop dat onderwerp in fictie (je leesboek) en in non-fictie (je artikel) wordt beschreven.
10 Schrijf een gedeelte van een dagboek van een van de hoofdpersonen. Minimaal 250 woorden.
11 De figuren in boeken reageren vaak anders op bepaalde situaties dan jij zou hebben gedaan. Bespreek in minimaal 200 woorden een of meerdere situaties in het boek, waarop jij héél anders zou hebben gereageerd, en hoe.
12 Stel dat iemand over 100 jaar dit boek leest. Krijgt die lezer een goed beeld over de tijd waarin het boek zich afspeelt? Leg in minimaal 200 woorden uit waarom wel of niet.
Inleveren boekverslag
Je noteert de naam van schrijver en titel van het boek. Je kiest voor het boek drie opdrachten uit. Vermeld duidelijk welke opdrachten je hebt gekozen. Je levert de opdrachten getypt in op lettergrootte 12.
Voor elke opdracht krijg je een O, V of G. Bij drie V’s krijg je het cijfer 6 en bij een G voor een opdracht krijg je er een punt bij en bij elke O gaat er een punt af.
Je kunt het verslag altijd eerder inleveren dan op de afgesproken dag, bij het te laat inleveren van het boekverslag is het maximale cijfer een 5.