De ondergang van de Cap Arcona
Op 20 april 1945 was het Engelse leger het kamp Neuengamme zo dicht genaderd, dat de nazi’s het niet langer veilig oordeelden de gevangenen daar te laten. Besloten werd hen af te voeren naar Lübeck. Daar aangekomen werden ze binnen de boorden van de “Cap Arcona”, een gewezen luxe passagiersschip, en in de ruimen van de vrachtschepen de “Athen” en de “Tielbeck” samengeperst, die in de Lübeckse baai voor anker lagen. De
bedoeling was deze politieke gevangenen naar het neutrale Zweden te transporteren om ze daar vrij te laten.
In de bocht van Lübeck lagen ook veel andere Duitse schepen, die troepen en materiaal naar elders moesten overbrengen. Nadat het grootste deel van deze schepen in de nacht van 2 op 3 mei 1945 was vertrokken, werden ze verder op hun route aangevallen door Engelse vliegtuigen en voor een groot deel vernietigd. De drie gevangenenschepen waren achtergebleven op de plek waar zij eerder waren afgemeerd. Toen boven het
vasteland grote rookkolommen opstegen, wat duidde op de nadering van Engelse tankcolonnes, besloten de gevangenen op de schepen een opstand te organiseren, de Duitse SS-bewaking te vernietigen en daarna met de bevrijders contact te leggen.
Spoedig vielen de eerste bommen naast de “Cap Arcona” in zee, direct gevolgd door salvo’s van de boordwapens. Aan boord van het passagiersschip speelden zich onbeschrijfbare tonelen af. Een van de overlevenden was de latere directeur van het Nederlandse Rode Kruis, Hans van Ketwich Verschuur. Om half drie in de middag zag Van Ketwich Verschuur door de patrijspoort van zijn hut opnieuw een eskader aankomen. Even later vielen de eerste bommen voor de boeg van zijn schip in het water. "Weg hier!", riep hij tegen zijn hutgenoten. Omdat hij bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland had gewerkt, wist hij uit ervaring hoe schepen waren ingedeeld. Die kennis kwam hem toen goed van pas. Zo snel hij kon, klom hij naar het bovendek.
Toen het volgende eskader overkwam, troffen de bommen het schip midscheeps. Er brak brand uit en het schip helde onmiddellijk zwaar over. Mensen en meubilair schoven naar de railing. Van Ketwich Verschuur zag de paniek, meubilair werd overboord gesmeten om als reddingsvlot te dienen, mensen sprongen overboord, waarvan er velen werden getroffen en gedood door het vallende meubilair, anderen verdronken in het ijskoude water. De chaos was onbeschrijfelijk. Bommen vielen, scherven en brokstukken vlogen in het rond, er werd geschoten. Ook de “Thielbeck” werd getroffen, kapseisde en zonk onmiddellijk. Alle achtentwintighonderd mensen die aan boord waren kwamen om.
Van Ketwich Verschuur wist ondertussen de brug van het schip te bereiken, vandaar sprong hij op het ijzeren voordek, waarbij hij een voet beschadigde. Hij kroop door het `kluisgat' en liet zich vervolgens langs de ketting zakken en in het water vallen, ver weg van de wanhopige tonelen aan de zijkant van het schip.
Zo snel hij kon zwom hij weg van de “Cap Arcona”, waarop nog steeds duizenden voor hun leven vochten. Er voeren twee `Schnellboten' van de Kriegsmarine rond om bemanningsleden en bewakers op te vissen.
Ondertussen schoten zij niet alleen op de overvliegende eskaders, maar ook op de in het water drijvende gevangenen. Alleen drenkelingen die het geroep van de Duitse bemanning van de Schnellboten in het Duits beantwoordden, werden aan boord genomen. Zo ging dat ook met Van Ketwich Verschuur. Toen een van de boten in zijn buurt kwam, riep Hans in het Duits een matroos aan, die hem vervolgens uit het water viste en aan boord nam. De Cap Arcona maakte nu ook flink slagzij. Mensen zochten een plek op de naar bovengekeerde zijwand. Daar zaten ze niet lang: door de brand die in het schip woedde, werd het dek warm, hun enige uitweg was het ijskoude water.
De overlevenden werden aan land gebracht, waar zij door auto’s van de marine werden opgehaald en naar
Neustadt overgebracht en werden daar ontvangen door Engelsen, die kort tevoren in deze plaats waren
aangekomen. Zo gebeurde dat ook Van Ketwich Verschuur. Hans kreeg onmiddellijk warme kleding en dat ging heel simpel. Een Duitse marineofficier moest zijn warme spullen afgeven tot en met zijn lange bontjas, die ten overvloede met schapenbont was gevoerd. De man was op weg naar het Oostfront. Ongeveer vierhonderd mensen van de Cap Arcona werden uit het water gehaald. De schatting is dat tussen de acht- en tienduizend gevangenen zijn omgekomen, waaronder vele Hollanders. De Neustadter Bucht werd een groot massagraf. De lijken die aanspoelden of uit het water werden opgevist, zijn begraven op het `Cap Arcona kerkhof' in Neustadt.
Van Ketwich Verschuur heeft nog vergeefs gezocht naar kameraden. In het marinehospitaal werd zijn voet gegipst; als herinnering krijgt hij een grijze deken mee waarop Kriegsmarine staat. Tot de dag dat hij en zijn vrienden de beschikking kregen over een auto, maakte Hans zich verdienstelijk als tolk. Op weg naar huis, moesten ze bij het passeren van de grens bij Enschede de auto achterlaten. Op 8 mei 1945 kwam hij aan in Nijmegen. Een afschuwelijke reis van twee jaar en negen maanden is ten einde. Wanneer hij jaren nadien met een bevriende Engelse luchtvaartattaché over zijn ervaringen praat, hoort deze hem aan, zwijgt even en zegt dan: "I am the wingcommander that bombed your ship."
Uit verklaringen van Engelse commandanten bleek dat kon worden vastgesteld dat de “Cap Arcona”, een groot
nieuw passagiersschip van 28.000 ton, toebehorend aan de Hamburg-Amerikalijn, was aangezien voor een
troepentransportschip dat van de eerder gesignaleerde concentratie schepen deel uitmaakte. Deze mening werd
nog eens versterkt doordat de Duitsers met hun afweergeschut het vuur op de vliegtuigen beantwoordden. Aan
boord bevonden zich omstreeks 8000 gevangenen. De opvarenden van de “Athen”, die kort voor de aanval naar
binnen waren gevaren, konden met 2000 man geheel worden gered. Van de beide andere schepen, die na elkaar in de golven verdwenen, bedroeg het aantal geredden niet meer dan 500 personen.